Charles Gounod werd in 1818 in Parijs geboren als tweede zoon van een kunstenaarsechtpaar: zijn vader was kunstschilder en zijn moeder een bekwaam pianiste. In 1835 behaalde hij zijn diploma aan het lyceum.
Van zijn moeder kreeg hij zijn eerste pianolessen. Hij studeerde eerst privé bij Rejcha en vanaf 1836 aan het nationale conservatorium van Parijs bij onder andere Halévy (fuga en contrapunt), Lesueur (compositie), Cherubini en Zimmermann.
In 1839 wist hij met zijn cantate Fernand de Prix de Rome te winnen en daarmee een drie jaar durende reis naar Rome. Hij studeerde er de muziek van de oude meesters, vooral Italiaanse kerkmuziek van Palestrina. Na zijn terugkeer werd Gounod kapelmeester en organist in de kerk van de Missions étrangères in Parijs. Hij wilde priester worden en studeerde van 1846 tot 1848 aan St. Sulpice en woonde vanaf 1847 in een klooster van de Karmelieten. Gounod droeg meestal een soutane en liet zich ‘abba’ noemen.
In 1852 trouwde hij met de dochter van zijn pianoleraar aan het conservatorium, Anne Zimmermann. Van 1852 tot 1860 was hij directeur van het grootste mannenkoor van Parijs: L’Orphéon de la Ville de Paris. Van 1870 tot 1875 woonde Gounod in Londen, waar hij het Gounod’s Choir oprichtte, de latere Royal Choral Society.
Gedurende zijn gehele carrière bewoog Gounod zich tussen kerkmuziek en wereldlijke werken. Daarvan getuigt een omvangrijk oeuvre: meer dan honderd liederen (‘mélodies’), koralen, motetten, eenentwintig missen, vier requiems, oratoria, schouwspelmuziek en rond twintig toneelwerken. Iets minder omvangrijk is de lijst met instrumentale werken: het vroege orkestwerk Scherzo (1837), twee symfonieën (1851), twee marsen, verschillende pianostukken en zijn belangrijke Petite
symfonie voor harmonieorkest.
De kerkmuziek van Gounod is vaak ten onrechte als imitatie van Palestrina’s en Händels werken gezien. Inderdaad hadden de missen van Palestrina hem als bezoeker van de hoogmissen in de Sixtijnse kapel enthousiast gemaakt en ze hebben hem zeker geïnspireerd. Maar ook zijn latere wereldlijke werken werden door de muziekcritici - evenzeer ten onrechte - beschouwd als weinig oorspronkelijk. De kracht van Gounod was de bevrijding van de Franse muziek van Italiaanse en Duitse invloeden en dat herkenden en waardeerden vooral componisten als Saint-Saëns, Debussy en Ravel.
Belangrijk is Gounods talent voor het lyrisch-sentimentele stemmingsschilderij, gedragen door een overvloed aan mooie, zingbare melodieën. Verbindend element is een elegante, meestal folkloristische stijl.
Zijn liturgische muziek is ingebed in een romantische uitstraling, dat samensmelt met een sobere religiositeit. Daarvoor is
de Bachmeditatie over de prelude in C uit het Wohltemperiertes Klavier, het tot een ‘wereldhit’ geworden Ave Maria, een overtuigend bewijs.
Gounod werd benoemd tot lid van de Parijse Academie en tot Commandeur van het Légion d’honneur.
In 1893 stierf Charles Gounod te Saint-Cloud.
Messe brève in C ‘Aux chapelles’ (opus 7) 1890
Deze mis is voor het eerst in 1877 gepubliceerd voor twee gelijke stemmen en orgel. De uitvoering uit 1890 is voor vier stemmen geschreven.
De opbouw volgt de reguliere katholieke liturgie: Kyrie, Gloria, Sanctus, Agnus Dei.
Gounod heeft geen Credo gecomponeerd. Het Benedictus, dat doorgaans na het Sanctus gezongen
wordt, heeft Gounod vervangen door O Salutaris Hostia, dat afkomstig is uit een van de eucharistische gezangen van Thomas van Aquino.
Zoals de meeste geestelijke werken van Gounod wordt deze mis gekenmerkt door zijn eenvoud en natuurlijkheid van expressie.
De mis is gecomponeerd in de optimistische toonsoort C majeur. |
| Klik hier voor de tekst van de Messe Brève |
Kijk
en luister naar de uitvoering van het
Cantate Koor Almere:
deel
1: Kyrie
deel
2: Gloria
deel
3: Sanctus
deel
4: O salutaris
deel
5: Agnus Dei
|
(Met dank aan Theo van Dijk, PR-commissie Cantate Koor Almere)
|