Gratis nieuwsbrief Over het Cantate Koor Repertoire Agenda en mededelingen Kennismaken Lid worden van het koor Vragen Internet links over koren Terugblik/ archief Homepagina Cantatekoor Adressen, email enz. Laatste-update: 27 februari 2010  

SchützHeinrich Schütz: Musikalische Exequien 

 




Te midden van het oorlogsgeweld van de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) leefde en componeerde Heinrich Schütz. Schütz werd in 1585 in Kostitz (Noord-Duitsland) geboren uit een welgestelde juristenfamilie.

De landgraaf Maurits von Hessen was gecharmeerd van de mooie sopraanstem van de kleine, dertienjarige Schütz, die hij hoorde zingen in het hotel ‘Zum Schützen’ in Weissenfels, eigendom van zijn grootvader. De landgraaf stuurde de jongen op zijn kosten naar het Mauritinum- internat te Kassel en in 1608 naar de universiteit van Marburg om rechten te studeren.
Schütz heeft lang getwijfeld tussen een muzikale loopbaan of de zekerheid van een vaste aanstelling als juridisch regeringsambtenaar. Maar weer was het de landgraaf die de knoop doorhakte en hem in 1609 een studiebeurs aanbood om te gaan studeren bij Giovanni Gabrieli, de organist van de San Marco in Venetië en befaamd om zijn ‘moderne’ dubbelkorigheid.

Gabrieli stierf in 1612 en Schütz keerde in 1613 terug naar Kassel waar hij hoforganist werd en bekendheid kreeg als componist. In 1617 werd hij benoemd tot hofkapelmeester in Dresden, waar
hij, ondanks financiële problemen, meer dan een halve eeuw met intens plezier werkte.

Tussendoor maakte Schütz een tweede Italiaanse studiereis naar Venetië om de nieuwe stijl van Monteverdi, de componist van de eerste opera Orfeo, te bestuderen. Nieuw in deze stijl was het centraal zetten van de muziek, in tegenstelling tot voorgangers bij wie de tekst domineerde over de muziek. Oude regels werden losgelaten en er ontstond een meer dramatische compositiewijze, waarin vrijer met dissonanten werd omgegaan, de zogenaamde ‘seconda pratica’ of ‘stile moderno’.

Terug in Duitsland kwam hij terecht in de ellende van de Dertigjarige Oorlog. Zowel zijn vrouw als zijn eerste dochtertje stierven vier jaar na zijn huwelijk, zijn tweede dochter stierf in het kraambed, zodat een kleindochter bij zijn sterfbed in 1672 de enige aanwezige bloedverwant was.

Al deze omstandigheden hadden tot gevolg dat Schütz meestal voor een sobere bezetting schreef, of aan de dirigent de vrijheid van bezetting overliet. Ook financiële redenen speelden hierin mee, want vaak moest Schütz zelf de hofmusici betalen, waardoor de hofkapel soms tot tien man werd ingekrompen.

Schütz heeft vanaf 1633 een periode gewerkt aan het hof van Kopenhagen.
Op 72-jarige leeftijd ging Schütz met pensioen, maar zelfs tijdens zijn laatste levensjaren heeft hij nog belangrijke werken gecomponeerd. In 1664 voltooide hij zijn Weihnachts-Historie en in 1665 en 1666 de Johannes-Passion en de Matthäus-Passi
on.

De grote verdienste van Schütz ligt in het feit dat hij de nieuwe verworvenheden van de Noord-Italiaanse muziek in Duitsland heeft geïntroduceerd, maar daarbij nooit de polyfone Nederlands-Duitse traditie heeft vergeten. Zo vond in 1627 de opvoering plaats van de eerste Duitse opera Dafne. Zijn eerste boek van de Symphoniae Sacrae verscheen in 1629.

Helaas is van zijn hele oeuvre minder dan de helft bewaard gebleven.


SchützMusikalische Exequien
SWV 279-281 / Dresden 1636

Begrafenismuziek in drie delen voor zes, acht of meer stemmen en basso-continuo.

In 1636 vond de begrafenis plaats van Heinrich Posthumus von Reuss, graaf van een klein stadje in het Duitse Thüringen. Door de zorgvuldige manier waarop hij zijn vorstendom regeerde en om zijn belangstelling voor kunst en cultuur had hij zich bijzonder geliefd weten te maken.
De graaf gaf omstreeks 1630, te midden van de gruwelen van de Dertigjarige Oorlog opdracht aan Schütz (afkomstig uit dezelfde streek en een goede bekende van de graaf) om de muziek voor diens begrafenis te componeren. Zo werd hij de rechtstreekse aanleiding tot het ontstaan van een grandioze ‘Teutschen Begräbnis-Missa’.

De opdracht die Schütz kreeg, was niet eenvoudig. De graaf had ongeveer een jaar voor zijn dood samen met Schütz een koperen doodskist besteld en die laten versieren met zelf ge-
kozen bijbelteksten en strofen uit kerkliederen, gebaseerd op het thema dood, vergankelijkheid, opstanding en eeuwig leven.

De teksten zijn door de componist zodanig geordend, dat ze het eerste deel vormen van het Duits-Evangelische mis-ordinatorium (Kyrie en Gloria), afgewisseld door strofen en bijbelteksten. Schütz illustreerde zijn opvattingen over religieus toondichten: ‘das stetige Nachsingen’, het verkondigen, uitleggen, verduidelijken en het aanschouwelijk voorstellen van bijbelse waarheden.

Om te voorkomen dat het eerste deel van de Exequien een aaneenrijging van losse fragmenten zou worden, liet Schütz vanaf de intonatio ‘Also hat Gott die Welt geliebt’ de bijbelteksten en de liedteksten afwisselen. De bijbelteksten componeerde hij in de Italiaanse concertato-stijl voor slechts een paar zangstemmen en een basso-continuo- begeleiding.

De liedteksten kwamen in een koraalzetting voor alle zes stemmen. Om aan te geven dat het zo ontstane contrast nog kon worden versterkt, noteerde hij boven de zes-stemmige gedeelten ‘Capella’, waarmee hij wilde aangeven dat ook grotere zogenaamde capella-koren deze gedeelten konden versterken. Deze ‘capella’-delen vormen in het eerste deel de pijlers waartussen de soms zeer virtuoze en beeldende concertatodelen als guirlandes zijn opgehangen.

Het tweede deel ‘Herr, wenn ich nur dich habe’ is een achtstemmig motet voor dubbelkoor, waarin Schütz meer dan 25 jaar na zijn studie in Venetië liet zien waar zijn muzikale wortels lagen.

Aan het derde deel voegde Schütz een theatraal element toe. Naast een koor (coro I) dat een vijfstemmige zetting zingt van het Canticum Simeonis, een lofzang uit het evangelie van Lucas, plaatste hij drie stemmen (coro II) als weergave van de ziel van de overledene (bariton) en van twee engelen (sopranen) die de ziel naar de hemel begeleiden.

Daarnaast adviseerde Schütz om dit kleine deelkoor in een veelvoud ervan op verschillende plaatsen in de kerk op te stellen, zodat het steeds verder weg kan klinken. Op die manier wilde hij het idee van het ‘wegzweven’ van de ziel naar de hemel als het ware tastbaar maken.

De muziek van de Musikalische Exequien bevat plotselinge overgangen van verdriet naar vreugde, van dood naar leven.

Dit Requiem, een meesterwerk van verstilde geloofsbeleving, doet op verschillende plaatsen denken aan Ein Deutsches Re-quiem  van Johannes Brahms.

Klik hier voor de tekst van de Musikalische Exequien Klik hier voor een geluidsfragment
   

(Met dank aan Theo van Dijk, PR-commissie Cantate Koor Almere)