Musikalische Exequien
SWV 279-281 / Dresden 1636
Begrafenismuziek in drie delen voor zes, acht of meer stemmen en basso-continuo.
In 1636 vond de begrafenis plaats van Heinrich Posthumus von Reuss, graaf van een klein stadje in het Duitse Thüringen. Door de zorgvuldige manier waarop hij zijn vorstendom regeerde en om zijn belangstelling voor kunst en cultuur had hij zich bijzonder geliefd weten te maken.
De graaf gaf omstreeks 1630, te midden van de gruwelen van de Dertigjarige Oorlog opdracht aan Schütz (afkomstig uit dezelfde streek en een goede bekende van de graaf) om de muziek voor diens begrafenis te componeren. Zo werd hij de rechtstreekse aanleiding tot het ontstaan van een grandioze ‘Teutschen Begräbnis-Missa’.
De opdracht die Schütz kreeg, was niet eenvoudig. De graaf had ongeveer een jaar voor zijn dood samen met Schütz een koperen doodskist besteld en
die laten versieren met zelf ge-
kozen bijbelteksten en strofen uit kerkliederen, gebaseerd op het thema dood, vergankelijkheid, opstanding en eeuwig leven.
De teksten zijn door de componist zodanig geordend, dat ze het eerste deel vormen van het Duits-Evangelische mis-ordinatorium (Kyrie en Gloria), afgewisseld door strofen en bijbelteksten. Schütz illustreerde zijn opvattingen over religieus toondichten: ‘das stetige Nachsingen’, het verkondigen, uitleggen, verduidelijken en het aanschouwelijk voorstellen van bijbelse waarheden.
Om te voorkomen dat het eerste deel van de Exequien een aaneenrijging van losse fragmenten zou worden, liet Schütz vanaf de intonatio ‘Also hat Gott die Welt geliebt’ de bijbelteksten en de liedteksten afwisselen. De bijbelteksten componeerde hij in de Italiaanse concertato-stijl voor slechts een paar zangstemmen en een basso-continuo-
begeleiding.
De liedteksten kwamen in een koraalzetting voor alle zes stemmen. Om aan te geven dat het zo ontstane contrast nog kon worden versterkt, noteerde hij boven de zes-stemmige gedeelten ‘Capella’, waarmee hij wilde aangeven dat ook grotere zogenaamde capella-koren deze gedeelten konden versterken. Deze ‘capella’-delen vormen in het eerste deel de pijlers waartussen de soms zeer virtuoze en beeldende concertatodelen als guirlandes zijn opgehangen.
Het tweede deel ‘Herr, wenn ich nur dich habe’ is een achtstemmig motet voor dubbelkoor, waarin Schütz meer dan 25 jaar na zijn studie in Venetië liet zien waar zijn muzikale wortels lagen.
Aan het derde deel voegde Schütz een theatraal element
toe. Naast een koor (coro I) dat een vijfstemmige zetting zingt van het Canticum Simeonis, een lofzang uit het evangelie van Lucas, plaatste hij drie stemmen (coro II) als weergave van de ziel van de overledene (bariton) en van twee engelen (sopranen) die de ziel naar de hemel begeleiden.
Daarnaast adviseerde Schütz om dit kleine deelkoor in een veelvoud ervan op verschillende plaatsen in de kerk op te stellen, zodat het steeds verder weg kan klinken. Op die manier wilde hij het idee van het ‘wegzweven’ van de ziel naar de hemel als het ware tastbaar maken.
De muziek van de Musikalische Exequien bevat plotselinge overgangen van verdriet naar vreugde, van dood naar leven.
Dit Requiem, een meesterwerk van verstilde geloofsbeleving, doet op verschillende plaatsen denken aan Ein Deutsches Re-quiem van Johannes Brahms. |