6 maart 2011 |
|
Tekst: Johannes Brahms, Ein deutsches Requiem
1. Koor |
|
Selig sind, die da leid tragen, denn sie sollen getröstet werden. |
Gelukkig de treurenden, want zij zullen getroost worden.
(Matth 5:4) |
Die mit Tränen säen, werden mit Freuden ernten. Sie gehen hin und weinen und tragen edlen Samen, und kommen mit Freuden und bringen ihre Garben. |
Zij die in tranen zaaien, zullen oogsten met gejuich. Wie in tranen op weg gaat, dragend de buidel met zaad, zal thuiskomen met gejuich, dragend de volle schoven.
(Psalm 126:5-6) |
2. Koor |
|
Denn alles Fleisch es ist wie Gras und alle Herrlichkeit des Menschen wie des Grases Blumen. Das Gras ist verdorret und die Blume abgefallen. |
De mens is als gras en zijn schoonheid als een bloem in het veld: het gras verdort en de bloem valt af.
(1 Petrus 1:24) |
So seid nun geduldig, liebe Brüder bis auf die Zukunft des Herrn. Siehe, ein Ackermann wartet auf die köstliche Frucht der Erde und ist geduldig darüber, bis er empfahe den Morgenregen und Abendregen. So seid geduldig. |
Heb geduld, broeders en zusters, tot de Heer komt. Denk eens aan de boer, die geduldig blijft wachten op de kostbare opbrengst van zijn land, tot de regens van najaar en voorjaar zijn gevallen.
(Jacobus 5:7) |
Denn alles Fleisch es ist wie Gras und alle Herrlichkeit des Menschen wie des Grases Blumen. Das Gras ist verdorret und die Blume Abgefallen. Aber des Herrn Wort bleibet in Ewigkeit. |
De mens is als gras en zijn schoonheid als een bloem in het veld: het gras verdort en de bloem valt af, maar het woord van de Heer blijft eeuwig bestaan. Dit woord is het evangelie dat u verkondigd is.
(1 Petrus 1:25) |
Die Erlöseten des Herrn werden wiederkommen und gen Zion kommen mit Jauchzen; Freude, ewige Freude wird über Ihrem Haupte sein; Freude und Wonne werden sie ergreifen, und Schmerz, und Seufzen wird weg müssen. |
Wie door de Heer bevrijd zijn, keren terug. Jubelend komen zij naar Sion, gekroond met eeuwige vreugde.
Gejuich en vreugde trekken de stad binnen, gejammer en verdriet vluchten eruit weg.
(Jesaja 35:10) |
3. Koor met baritonsolo |
|
Herr, lehre doch mich, daß ein Ende mit mir haben muß, und mein Leben ein Ziel hat, und ich davon muß. Siehe, meine Tage sind einer Hand breit vor Dir, und mein Leben ist wie nichts vor Dir. Ach, wie gar nichts sind alle Menschen, die doch so sicher leben. Sie gehen daher wie ein Schemen, und machen ihnen viel vergebliche Unruhe; Sie sammeln und wissen nicht, wer es kriegen wird. Nun Herr, wes soll ich mich trösten? Ich hoffe auf dich.
Der Gerechten Seelen sind in Gottes Hand und keine Qual rühret sie an. |
Geef mij weet van mijn einde, Heer, van de maat van mijn levensdagen, laat mij weten hoe vergankelijk ik ben. U maakte mijn dagen een handbreed lang, mijn levensduur is niets in uw ogen, niet meer dan lucht is het bestaan van een mens, niet meer dan een schaduw zijn levenspad, niet meer dan lucht wat hij rusteloos najaagt, hij vergaart en weet niet wie het toevalt. Wat heb ik dan te verwachten, Heer? Mijn hoop is alleen op u gevestigd.
(Psalm 39:5-8)
De zielen van de rechtvaardigen zijn in Gods hand, geen marteling kan hun deren.
(Boek der Wijsheid 3:1) |
4. Koor |
|
Wie lieblich sind Deine Wohnungen, Herr Zebaoth! Meine Seele verlanget und sehnet sich nach den Vorhöfen des Herrn; mein leib und Seele freuen sich in dem lebendigen Gott. Wohl denen, die in Deinem Hause wohnen, die loben dich immerdar. |
Hoe lieflijk is uw woning, Heer van de hemelse machten. Van verlangen smacht mijn ziel naar de voorhoven van de Heer. Mijn hart en mijn lijf roepen om de levende God. Gelukkig wie wonen in uw huis, gedurig mogen zij u loven.
(Psalm 84:2,3 en 5) |
5. Koor met sopraansolo |
|
Ihr habt nun Traurigkeit; aber ich will euch wiedersehen, und euer Herz soll sich freuen, und eure Freude soll niemand von euch nehmen. |
Jullie hebben nu verdriet, maar ik zal jullie terugzien, en dan zul je blij zijn, en niemand zal je je vreugde afnemen.
(Johannes 16:22) |
lch will euch trösten, wie einer seine Mutter tröstet. |
Zoals een moeder haar zoon troost, zo zal ik jullie troosten;
(Jesaja 66:13) |
lch habe eine kleine Zeit Mühe und Arbeit gehabt und habe großen Trost gefunden. |
Zie met eigen ogen dat ik mij maar weinig hoefde in te spannen en voor mijzelf veel rust gevonden heb.
(Sirach 51:27) |
6. Koor met baritonsolo |
|
Denn wir haben hie keine bleibende Statt, sondern die zukünftige suchen wir. |
Onze stad is immers niet blijvend, wij kijken juist verlangend uit naar de stad die komt.
(Hebr. 13:14) |
Siehe, ich sage euch ein Geheimnis: Wir werden nicht alle entschlafen, und dasselbige plötzlich in einem Augenblick, zu der Zeit der letzten Posaune.
Denn es wird die Posaunen schallen und die Toten werden auferstehen unverwerslich; und wir werden verwandelt werden.
Dann wird erfüllet werden das Wort, das geschrieben steht: der Tod ist verschlungen in den Sieg.
Tod, wo ist dein Stachel? Hölle, wo ist dein Sieg? |
Ik zal u een geheim onthullen: wij zullen niet allemaal eerst sterven toch zullen wij allemaal veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, wanneer de bazuin het einde inluidt.
Wanneer de bazuin weerklinkt, zullen de doden worden opgewekt met een onvergankelijk lichaam en zullen ook wij veranderen. En wanneer dit vergankelijke lichaam is bekleed met het onvergankelijke, dit sterfelijke met het onsterfelijke, zal wat geschreven staat in vervulling gaan: ‘De dood is opgeslokt en overwonnen.
Dood, waar is je overwinning? Dood, waar is je angel?’
(1 Cor. 15:51,52,54 en 55) |
Herr, du bist würdig zu nehmen Preis und Ehre und Kraft, denn Du hast alle Dinge erschaffen, und durch Deinem Willen haben sie das Wesen und sind geschaffen. |
U komt alle lof, eer en macht toe, Heer, onze God, want u hebt alles geschapen: uw wil is de oorsprong van alles wat er is.
(Openbaringen 4:11) |
7. Koor |
|
Selig sind die Toten, die in dem Herrn sterben, von nun an.
Ja der Geist spricht, daß sie ruhen von ihrer arbeit; denn ihre werke folgen ihnen nach. |
Gelukkig zijn zij die vanaf nu in verbondenheid met de Heer sterven. En de Geest beaamt: ‘Zij mogen uitrusten van hun inspanningen, want hun daden vergezellen hen.’
(Openbaringen 14:13) |
De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap |
|
|